Notitie voor: Cornelis Jansz Jol

Het echtpaar trouwt te Rijswijk omdat zij al enige maanden zwanger was, een gebruikelijke gewoonte in Scheveningen. Hij verm. als ongeveer 19 jaar oud, wanneer hij gezien heeft dat Hermanus Pals op het strand een mes heeft getrokken tegen Carel Stevens ((G.A. Den Haag, N.A., inv.nr. 518, fol. 157, 9-4-1667); verder wegens koop van een huis voor fl. 200,- in het Molenijserslop (G.A. Den Haag, N.A., inv.nr. 546, fol. 991-992, 15-3-1677), wegens koop van "van een zeeschuit met zeylen, touwen ende alle t' geene daaraan dependeert" van de wed. van Jacob Claren Pronck voor 470 Carol. gulden, waarbij borg is Aechie Jans Jol (G.A. Den Haag, N.A., inv.nr. 1360, 10-11-1688) en wanneer hij als getuige optreedt in een erfeniskwestie betreffende Lodewijk van Hulsentop (G.A. Den Haag, N.A., inv.nr. 1361, 1-11-1691); hij ondertekent niet altijd met het handmerk van de fam. Jol, dat zijn verwanten en voorvaderen gebruikten, maar neemt ook het handmerk van zijn vrouw Kniertje Michiels over; terzijde: de ongehuwde, kapitaalkrachtige Aechie Jans Jol wo. in 1680 Keizerstr.-o.zijde samen met haar zuster en kinderen die zij uit "compassie" onderhoudt (gezin 298), Aechie begr. Scheven. 26-5-1709; omdat zij in 1680 al wordt aangemerkt als "bejaerde dochter" kan zij niet een zus zijn van Cornelis Jans Jol. Met het verongelukken van de schuit van stuurman Pieter Pieters van Duyne, kwam, merkwaardig genoeg, behalve Cornelis Jans Jol (die immers een eigen schuit bezat) de hele bemanning om; in een Memorie (G.A. Den Haag, R.A., inv.nr. 5913) staat dat na het ongeluk 4 vrouwen wed. werden en 11 kinderen wees, 1 vrouw "quam in de kraam" 35 weken na de dood van haar man (ze liet 3 kinderen na); deze gebeurtenis leidde er o.a. toe dat schepen Claas Maartens de Wit, de kerkeraad, kerkmrs., gasthuismrs., vuurbaakmrs. en gildemrs. in 1696 overgingen tot het stichten van een weeshuis en met de stuurlieden van het dorp tot overeenstemming kwamen om de arme wezen uit "eigen winsten en middeltjes" te onderhouden; dat betekende dat van iedere koop vis die op het strand zou worden afgeslagen, al naar gelang de soort van de vis, een bepaald bedrag aan het weeshuis zou worden afgedragen; daarnaast beloofde de kerkeraad de helft van de opbrengst van de bussen en droegen ook de kerk, gasthuis, gilde, en vuurbaakmrs. een vast bedrag bij (Bron: N. Noordervliet-Jol "De gesch. van de oudste geslachten van de fam. Jol", dl. 2, pag. 12-16).